Overdenking

Porsches en naaldhakken; jaloersmakend!

                              

Van de week was ik in een tuincentrum spullen aan het kopen voor onze tuin. Ik wilde net naar binnen gaan, toen ik ingehaald werd door een vrouw. Ze was prachtig gekleed, haar haren perfect in model en make-up die haar schoonheid alleen maar accentueerde (voor dat de mannen nu afhaken, kan ik hetzelfde vertellen alleen over haar Porsche: ik wilde net onze oldtimer inparkeren toen een prachtige, rode Porsche mij net voor was. Hij zat prachtig in de lak, de bekleding was zwart en helemaal van leer zonder enige spat spuug, broodkruimels of ander soortig kinderkwijl. De velgen verblindden mijn ogen door de zon die er op scheen en een naaldhak stapte uit de auto….). Kortom, die vrouw was dus duidelijk mooi en rijk.

En op de een of andere manier werd ik onzeker en jaloers door zo’n, voor het oog, perfect iemand naast mij. En dat gevoel bleef me de hele tijd bij in de winkel. Zeker toen ik een medewerker een zakje aarde zag tillen voor diezelfde vrouw terwijl ik zelf aan het sjorren en sjouwen was aan een vijf keer zo’n zware zak vol potgrond. Tuurlijk had ik dat bordje wel gezien waarop stond dat medewerkers met alle plezier het voor je naar de kassa willen tillen, maar ik was eigenwijs. Zelf doen. Ik keek de naaldhak dame na en had het nakijken. Tijdens de rest van de winkelreis vergaapte ik me aan alle veel te dure en mooie spullen en was inwendig aan het mopperen over het gemak waarmee sommigen hun portemonnee kunnen trekken en winkeliers daar dankbaar gebruik van maken. Nadat ik uiteindelijk zelf die portemonnee had getrokken bij de kassa, om, jawel, te betalen met een cadeaukaart - ha daar had dat naaldhakken mens niet van terug, strompelde ik, met een zere rug, naar onze oldtimer terug, de Porsche negerend.

En terwijl ik de sleutel in het slot draaide, kroop Psalm 73 mijn gedachten binnen. In die Psalm komt een man, Asaf, naar voren, die flink moppert op de voorspoed van mensen die zonder God leven. Ze zijn mooi, kennen geen moeiten en alles lijkt goed te gaan. Hij is verbitterd en jaloers… Maar deze Asaf wordt wel teruggefloten om die houding van jaloersheid.

En ergens met die sleutel in mijn hand, hoorde ik ook zo’n fluitsignaal van Boven en kreeg ik tegelijk een andere gedachte in mijn hoofd. Over iets wat ik eerder die week gelezen had. 

Gelukkig zijn uw mannen, en gelukkig deze dienaren van u, die voortdurend in uw dienst staan  (letterlijk: voor uw aangezicht staan) en uw wijsheid horen.  2 Kronieken 9:7

Dit stukje gaat over koningin Scheba die bij koning Salomo op bezoek gaat. Ze heeft over zijn rijkdom, pracht, praal en wijsheid gehoord en wil dit nu met eigen ogen zien. Na haar bezoek is ze zo onder de indruk van hem, van zijn wijsheid en van zijn manier van omgaan met mensen dat ze positief jaloers op zijn dienaren wordt. Ze ziet in dat het een voorrecht is om zo’n koning te mogen dienen en altijd in zijn aanwezigheid te mogen zijn.

En met mijn sleutel in mijn hand bedacht ik dat dit ook voor onze grote Koning geldt.

Als Salomo al zo’n geweldige koning was, hoe veel te meer dan mijn eigen Koning. En wat een bevoorrecht mens ben ik dat ik in dienst mag staan van Hem en altijd in zijn aanwezigheid mag zijn. Ik wil ook weer meer op (be)zoek gaan naar deze wijze Koning om weer opnieuw onder de indruk van Hem te zijn en opnieuw te ontdekken hoe bevoorrecht ik eigenlijk ben. 

Opnieuw Asaf:

Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgegleden…, want ik was jaloers op dwazen…Maar hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets!…

Niettemin zal ik voortdurend bij U zijn…

Wie heb ik behalve U in de hemel?

Naast U vind ik nergens vreugde in op aarde…

Maar wat mij betreft, het is voor mij goed dicht bij God te zijn.

Ik neem mijn toevlucht tot de Heere HEERE, om al uw werken te vertellen. 

Onderweg naar huis voelde ik mij wat lichter, het leek of iemand mijn last getild had.

 

Elise Alkema